‘Kon iemand anders maar voor mij beslissen’

Carice (32) woont samen met Thomas (31).

“Mijn vriend Thomas en ik hebben het er veel over; doen we het wel of niet? Het liefst zou ik iemand anders de beslissing laten nemen. Een kindje krijgen is sowieso al een hele verantwoordelijkheid, maar voor mij helemaal. Omdat ik manisch depressief ben, is er wel reden tot extra zorgen. Niet alleen voor mij en het kindje, maar ook voor Thomas.

We zijn nu vier jaar samen. Hij is de liefde van mijn leven en als ik kinderen wil, dan met hem. Maar ja, voor hem kan het heel zwaar worden. Het leven met iemand als ik is niet makkelijk. Dat weet ik uit ervaring. Mijn vader is ook manisch depressief en hoewel mijn moeder hem altijd liefdevol heeft gesteund, was het voor haar niet makkelijk. Zeker niet toen er nog opgroeiende kinderen in huis waren.

Manische depressiviteit is erfelijk en ik heb het van mijn vader, als enige van zijn vier kinderen. In mijn puberteit was ik erg lastig; ik had vrolijke, maar ook heel sombere momenten, die soms maanden konden duren. Het kon gaan om rare dingen. In de bus zitten, te vroeg op het knopje drukken en dan heel hard gaan lachen. En nog harder lachen als ik zag dat het de buschauffeur ergerde. Of omdat ik zo kort sliep, ’s morgens vroeg kasten uitruimen en alles netjes weer opvouwen. Een psychiater stipte het eens voorzichtig aan, dat ik ook manisch depressief kon zijn. Maar die diagnose is destijds niet gesteld. Ik was veertien en ik wilde er ook niet aan. Ik zette me overal tegen af, dus ook hiertegen. En ik zeurde veel. Ik kon uren over iets doorzeuren. Als ik iets graag wilde hebben bijvoorbeeld. Maar ja, dat kan ook onder de noemer puberteit vallen.

Ik was ook bang voor de diagnose, voor de stempel die ik zou kunnen krijgen. Ik wist ook niet wat ik ermee zou moeten. Dan ben je manisch depressief, en dan? Mijn moeder vermoedde het ook, maar er is niet over gesproken. Mijn vader had het, dat was duidelijk en dat was thuis een issue. Ook voor mij. Dat ik het eventueel kon hebben, schoof ik daarom naar de achtergrond.

Mensen zeiden wel dat ik op mijn vader leek, maar ik zag dat eigenlijk meer als een compliment. Hij is een uitgesproken man, zeer intelligent en met een succesvol eigen bedrijf. Ik keek eigenlijk tegen hem op. Wij, zijn vier kinderen, hadden ook niet zo door dat hij ziek was. Voor vaders is het makkelijker om je terug te trekken. ‘Laat papa maar even’, zei mijn moeder dan. In zijn depressieve periodes zagen we hem iets minder, maar mijn moeder was er altijd. Zij hield het schip draaiende. Zo weet ik dat het voor een gezin meer impact heeft als de moeder er even niet is. En dat voedt mijn twijfels nog meer. Kan ik er wel altijd zijn voor mijn kind, vraag ik me vaak af.

Naarmate ik ouder werd, namen de symptomen toe. Ik werd steeds zelfstandiger, dus het viel thuis ook minder op. Ik ging studeren en dat ging eigenlijk heel goed. Op een kleine dip na, ben ik door mijn studie Psychologie gevlogen. Ik bruiste van de energie en kon mijn drukke sociale leven, mijn verschillende baantjes en de colleges goed combineren.

Daarna ging ik aan het werk. Hoewel ik steeds na een paar maanden rusteloos werd en een andere baan nam, was dat nog niet zo zorgelijk. Ik spaarde mijn geld en kreeg een eigen huisje. Maar toen, een paar jaar geleden, ging het mis in een manische periode. Ik sprong uit de band. Ik zag geen gevolgen in van mijn eigen acties. Dus toen ik die leuke witte cabrio zag, moest ik hem hebben. Ik dacht er niet over na of dat wel zou kunnen. Ik wilde hem gewoon. Dus ik kocht hem.

In een paar maanden tijd heb ik er meer dan tienduizend euro doorheen gejaagd. Aan die auto, aan mooie kleding en aan andere leuke dingen. Maar uiteindelijk voelde ik me er niet beter door. Sterker nog, ik zakte weg in een zware depressie. Ik kreeg ruzies met de mensen om me heen, want ik was ook niet echt voor rede vatbaar. Gesteund door een vriendin heb ik uiteindelijk toch hulp gezocht, want ik wilde uit die somberheid.

Tijdens een sessie psychotherapie vertelde ik dat mijn vader de ziekte heeft en zo is het balletje gaan rollen. Al snel werd de diagnose gesteld; ik was manisch depressief. Opeens vielen dingen op hun plek; mijn hoofdpijnen, alsof er een riem om mijn hoofd is gebonden die steeds strakker wordt aangespannen. Zo voel ik een depressieve bui aankomen. En mijn koopgedrag; niets nodig hebben, maar met tassen vol schoenen thuiskomen. Ook mijn relaties met mannen kon ik opeens verklaren. Zo heb ik onveilige seks gehad met verschillende mannen. Op mijn zeventiende al. En als ik uitging en iemand had drugs bij zich, dacht ik ‘oh leuk, weer wat anders’ terwijl mijn vriendinnen boos werden dat ik van een vreemde drugs aannam. Ook dronk ik vrij veel. Ik kon zonder moeite tien tequila achter elkaar drinken, want maat houden is er niet bij.

Vorig jaar raakte ik echter in een crisis. Ik zakte weer weg. Het was carnaval en zoals altijd ging ik met mijn vriendinnen op pad. Op een gegeven moment wilde ik echter weg, naar huis en in bed liggen. En er het liefst ook niet meer uitkomen. Dit ging van kwaad tot erger, tot ik besefte dat ik dood wilde. Het liefst was ik ter plekke van de flat gesprongen. Maar ja, ik wilde het mijn ouders niet aandoen. Thomas ook niet, maar ik redeneerde dat hij er wel overheen zou komen. Hij kon op een dag weer door met zijn leven. Maar mijn ouders niet. En op dat moment ben ik dan toch aan de medicijnen gegaan. Ik wilde het aanvankelijk niet, omdat ik mijn leven daar niet door wilde laten beheersen, maar ik moest op de een of andere manier weer controle krijgen. Dat kreeg ik in de instelling waar ik me liet opnemen en me de antidepressiva liet voorschrijven. Hier begon ik ook met afkicken van de drank.

Gelukkig was het carnaval en had ik al vrij genomen van mijn werk. Daar weten ze niets van mijn problemen. Dat wil ik ook niet. Nu zien ze me gewoon als Carice en niet als een patiënt. Met hen praat ik ook over mijn kinderwens, maar ze weten niet alles. Zij vinden natuurlijk dat ik ervoor moet gaan, maar hebben geen idee wat er allemaal in mijn hoofd omgaat. Ze weten niet dat ik medicijnen slik en dat de medicijnen voor manisch depressieve vrouwen die zwanger willen raken, uit de handel is genomen. Hierdoor is de kans op een postnatale depressie veel groter.

Wil ik dat risico lopen? Want dan staat Thomas er alleen voor met de baby. Natuurlijk heb je in het leven geen garanties. Ik kan ook mijn been breken. Dan moet hij ook alleen voor ons kindje zorgen. Maar ik vind de stap zo eng om te zetten. Aan de ene kant wil ik niets liever dan een kindje van ons tweeën. Ik weet zeker dat Thomas de beste vader ooit zal zijn. Hij is zo lief en geduldig. Hij is er gewoon voor gemaakt. Aan hem ligt het ook niet. Natuurlijk twijfelt hij met me mee. Soms neigt hij meer naar ‘nee’. Hij is erg voorzichtig en denkt er echt over na. Maar ik wil het zo graag. Zo graag onze liefde vertalen naar een baby. Maar ja, een kind krijgen als je weet dat de kans bestaat dat het ook manisch depressief is, doe je ook niet zomaar.

Dan kijk ik terug naar mijn eigen leven. Wil ik een ander dat aandoen? Op zich ben ik nu blij dat ik besta, maar het was wel een lange weg. En achteraf hoor ik dat mijn ouders doodsangsten uit hebben gestaan, zeker mijn moeder. Want zij vermoedde al dat ik dezelfde ziekte als mijn vader heb. En dat ik dus zo onberekenbaar ben als wat. Als je kind in de puberteit zit en je moet het loslaten, is dat heel zwaar.

Als ik dit bedenk, overheersen de negatieve gevoelens weer. Maar dat kan over een kwartier weer anders zijn. We praten er veel over met familie en vrienden. Dat scheelt. Zo kan ik mijn ei kwijt en voor Thomas is al die begrip natuurlijk prettig. Zijn ouders zijn zo lief, die staan achter iedere keuze die we maken. Mijn moeder ook, al merk ik dat ze zich zorgen maakt. Ze zal nooit zeggen ‘doe het maar niet’, maar wil dat ik er goed over nadenk. Gelukkig ben ik nog jong en heb ik nog de tijd.

Ik heb een aantal jaar geleden ook zo getwijfeld of ik wel aan de medicijnen moest. Ik wilde niet, maar wist dat het beter zou zijn als ik het wel zou doen. De arts zei toen ‘doe het maar’. Dat vond ik zo prettig. Het liefst kom ik nu weer in die situatie. Dat iemand anders de knoop voor me doorhakt. Dan kan ik gewoon zo goed en zo kwaad met de situatie omgaan. Bij een ongeplande zwangerschap zou ik dat ook doen. Zonder aarzelen zou ik de baby houden en er helemaal voor gaan. We zien dan wel wat de toekomst brengt, maar het is in ieder geval met Thomas en de baby waar ik zo naar verlang.”

Carice de Wildt schrijft onder dit pseudoniem over haar leven met manische depressiviteit op www.caricedewildt.nl

 


naar boven / terug